1. Op ooghoogte: Dit is de meest voorkomende en neutrale hoek. De camera bevindt zich op dezelfde hoogte als de ogen van het onderwerp, waardoor een gevoel van normaliteit en verbondenheid ontstaat. Het wordt vaak gebruikt in gesprekken en alledaagse scènes.
2. Hoge hoek: De camera bevindt zich boven het onderwerp en kijkt naar beneden. Deze hoek kan ervoor zorgen dat het onderwerp kleiner, zwakker of zelfs kwetsbaar lijkt. Het kan ook een gevoel van afstand of onthechting creëren.
3. Lage hoek: De camera bevindt zich onder het onderwerp en kijkt omhoog. Deze hoek kan het onderwerp groter, krachtiger of zelfs intimiderend doen lijken. Het kan een gevoel van ontzag of respect creëren.