Het wezen, dat zich volkomen eenzaam en ellendig voelt, gelooft dat een metgezel die op hem lijkt, zijn eenzaamheid zou verlichten en hem zich minder monsterlijk zou laten voelen. Hij stelt dat het hebben van iemand met wie hij zijn ervaringen en lasten kan delen, zijn bestaan draaglijker zou maken.
Dit is het centrale thema van hun ontmoeting. Het wezen is op dit moment niet uit op wraak, hoewel dat later in het verhaal een drijvende kracht zal worden. Zijn voornaamste motivatie is de wanhopige hoop op gezelschap en acceptatie.