Tijdens het Elizabethaanse tijdperk waren theaterproducties afhankelijk van natuurlijke lichtbronnen:
* Daglicht: Toneelstukken werden doorgaans overdag opgevoerd, waarbij gebruik werd gemaakt van natuurlijk zonlicht. Dit betekende dat optredens beperkt waren tot uren met daglicht.
* Kaarsen en fakkels: Bij avondvoorstellingen werden kaarsen en fakkels gebruikt om voor verlichting te zorgen. Dit zorgde echter voor een vage en flikkerende sfeer, waardoor het gebruik van opvallende make-up en kostuums nodig was voor de zichtbaarheid.
Het gebrek aan elektrische verlichting had verschillende gevolgen voor het Elizabethaanse theater:
* Beperkte prestatietijden: Toneelstukken waren beperkt tot uren bij daglicht of de korte tijd dat kaarsen en fakkels voor licht konden zorgen.
* Eenvoudig decorontwerp: Het beperkte licht beperkte de complexiteit van het decorontwerp, omdat ingewikkelde details moeilijk te zien zouden zijn.
* Nadruk op dialoog en actie: Vanwege het gebrek aan speciale effecten en visueel spektakel waren Elizabethaanse toneelstukken sterk afhankelijk van dialoog en fysiek acteren om het verhaal te vertellen.
* Interactie met publiek: De nabijheid tussen acteurs en publiek, vaak bij kaarslicht, zorgde voor een intieme en interactieve sfeer.
Het is belangrijk om te onthouden dat elektriciteit geen factor was in het Elizabethaanse theater. De beperkingen van de lichttechnologie hadden invloed op de aard en stijl van de toneelstukken en hun productie.