* Onafhankelijke paden: In een parallel circuit heeft elke lamp zijn eigen afzonderlijke pad waarlangs de elektriciteit kan stromen. De stroom hoeft niet door een andere lamp te gaan om zijn bestemming te bereiken.
* Spanning blijft constant: Alle lampen in een parallelle schakeling delen dezelfde spanning. Wanneer één lamp doorbrandt, verandert de spanning voor de andere lampen niet.
* Stroom neemt iets af: De totale stroom in het circuit zal iets afnemen omdat één pad is verwijderd. Meestal is dit echter niet merkbaar.
Als in een serieschakeling daarentegen één lamp doorbrandt, gaan alle lampen uit omdat het circuit kapot is.
Hier is een eenvoudige analogie:stel je een snelweg met meerdere rijstroken voor, waarbij elke auto een gloeilamp vertegenwoordigt. In een parallel circuit heeft elke auto zijn eigen rijstrook, dus als er één auto kapot gaat, kunnen de andere auto’s nog doorrijden. In een seriecircuit bevinden alle auto's zich op één rijstrook, dus als er één auto kapot gaat, blokkeert deze de hele rijstrook.