* Arbeidersklasse: De stedelijke arbeidersklasse, die leed onder armoede, werkloosheid en barre arbeidsomstandigheden, was een drijvende kracht achter de revolutie. Ze werden vooral gemotiveerd door het verlangen naar een betere levensstandaard en sociale hervormingen.
* Studenten: Studenten van universiteiten in Parijs waren actief in de revolutionaire beweging. Het waren vaak radicale intellectuelen die republikeinse idealen en sociale rechtvaardigheid propageerden.
* Kleine winkeliers en ambachtslieden: Deze groep, die te maken kreeg met concurrentie van grotere bedrijven, voelde zich onder druk gezet door het economisch beleid en steunde de roep om sociale en economische verandering.
* Republikeinen: Dit waren individuen die pleitten voor een republikeinse regeringsvorm en zich verzetten tegen de monarchie en de daarmee samenhangende machtsstructuren.
* Liberalen: Hoewel ze niet noodzakelijk revolutionair waren, steunden veel liberalen de omverwerping van de monarchie in de hoop een meer liberale en democratische regering te vestigen. Ze verlangden naar grotere individuele vrijheden en politieke rechten.
* Nationalisten: Sommige groepen, vooral die uit regio's buiten Parijs, zagen de revolutie als een kans om aan te dringen op grotere autonomie of onafhankelijkheid van de centrale regering.
Het is belangrijk om te onthouden dat dit geen verenigde groepen waren met gedeelde doelen. De revolutie werd gedreven door een breed scala aan motivaties en doelstellingen. Terwijl ze samenkwamen om de monarchie omver te werpen, kwamen de verschillende facties snel met elkaar in botsing over de toekomstige richting van de revolutie.