1. Overdrijving: Politieke cartoons overdrijven vaak fysieke kenmerken (zoals de neus of oren van een politicus), of benadrukken bepaalde aspecten van een situatie om een punt te maken. Dit maakt de boodschap gedenkwaardiger en impactvoller.
2. Symboliek: Cartoonisten gebruiken symbolen om complexe ideeën of entiteiten weer te geven. Veel voorkomende voorbeelden zijn Uncle Sam voor de Verenigde Staten, een duif voor vrede of een leeuw voor macht. Deze symbolen brengen onmiddellijk betekenis over op de kijker.
3. Karikatuur: Dit omvat het overdrijven of vervormen van de kenmerken van een persoon om ze gemakkelijk herkenbaar en vaak humoristisch te maken. Karikaturen kunnen worden gebruikt om een politicus belachelijk te maken of om zijn persoonlijkheidskenmerken te benadrukken.
4. Etikettering: Cartoonisten gebruiken vaak labels om objecten, karakters of situaties te identificeren. Dit helpt de boodschap van de cartoon te verduidelijken en vermijdt elke dubbelzinnigheid.
5. Visuele ironie en satire: Politieke cartoons gebruiken vaak ironie en satire om commentaar te geven op actuele gebeurtenissen. Ze kunnen een situatie weergeven op een manier die het tegenovergestelde is van hoe deze in werkelijkheid is, of ze kunnen humor gebruiken om de absurditeit van een situatie te benadrukken.
Door deze technieken in combinatie te gebruiken, kunnen politieke cartoonisten complexe ideeën op een beknopte en vaak humoristische manier overbrengen.