* Taal en geletterdheid: Hij leert de menselijke taal lezen en begrijpen door een gezin dat in een huisje woont te observeren en te bestuderen. Hierdoor kan hij de wereld om hem heen begrijpen en zijn eigen gedachten en gevoelens ontwikkelen.
* Overlevingsvaardigheden: Het wezen leert zelfstandig te overleven en vindt voedsel, onderdak en kleding. Hij past zich aan de wildernis aan en leert zichzelf te beschermen tegen de elementen en andere gevaren.
* Empathie en mededogen: Hoewel het wezen aanvankelijk gedreven wordt door een verlangen naar wraak, ontwikkelt het uiteindelijk een gevoel van empathie en mededogen. Hij is getuige van de liefde en vriendelijkheid van de familie De Lacey en begint de waarde van menselijke verbinding te begrijpen.
* Zelfbewustzijn en identiteit: Door zijn ervaringen leert het wezen zijn eigen uniciteit te herkennen en de manieren waarop hij zowel vergelijkbaar als verschillend is van mensen. Hij ontwikkelt een gevoel van eigenwaarde en worstelt met zijn eigen identiteit.
Het is echter belangrijk op te merken dat zijn leerproces voornamelijk wordt gedreven door observatie en ervaring. Hij krijgt nooit echt formeel onderwijs of instructie, en zijn kennis wordt beperkt door zijn isolement en het gebrek aan echte menselijke interactie.