1. Materiaalkeuze:
* Gevonden objecten: Bij assemblages wordt vaak gebruik gemaakt van alledaagse voorwerpen, afgedankte voorwerpen en materialen met een reeds bestaande geschiedenis. Kunstenaars kiezen deze objecten zorgvuldig op basis van hun vorm, textuur, kleur en inherente betekenis.
* Natuurlijke materialen: Kunstenaars kunnen natuurlijke elementen zoals hout, takken, rotsen en zelfs dierenbotten gebruiken, waardoor een gevoel van het organische en rauwe wordt toegevoegd.
* Gefabriceerde materialen: Ze kunnen ook industriële materialen gebruiken zoals metaal, plastic, glas of stof, waarbij ze putten uit hun inherente kwaliteiten en symbolische associaties.
* Materialen combineren: Kunstenaars plaatsen vaak verschillende soorten materialen naast elkaar om visuele en conceptuele contrasten te creëren.
2. Arrangement en compositie:
* Ruimtelijke relaties: Hoe de gekozen objecten in de ruimte worden gerangschikt, is cruciaal. Assemblages kunnen dicht en gelaagd zijn, of schaars en open. De kunstenaar moet rekening houden met balans, spanning en visuele flow.
* Schaal en proportie: De grootte en relatieve verhoudingen van objecten zijn van cruciaal belang. Kunstenaars kunnen extreme schaalverschuivingen gebruiken om impact te creëren of subtiele contrasten om specifieke details te benadrukken.
* Symmetrie versus asymmetrie: Kunstenaars kunnen kiezen voor symmetrische composities voor stabiliteit en harmonie of asymmetrische composities voor dynamiek en spanning.
3. Kleur en textuur:
* Kleurenschema's: Kunstenaars selecteren kleurenpaletten die bijdragen aan de algehele sfeer en betekenis. Ze kunnen contrasterende kleuren gebruiken voor visuele impact of harmonieuze kleuren voor een gevoel van eenheid.
* Textuur en oppervlak: Assemblages kunnen tactiel en multisensorisch zijn. Kunstenaars houden rekening met de textuurkwaliteiten van hun gekozen materialen, gebruiken gladde oppervlakken als contrast met ruwe, of creëren gestructureerde oppervlakken door middel van gelaagdheid en manipulatie.
4. Conceptuele keuzes:
* Thema en verhaal: Assemblages vertellen vaak een verhaal of onderzoeken een specifiek thema. De kunstenaar maakt keuzes die resoneren met het gekozen thema en de beoogde boodschap overbrengen.
* Metafoor en symboliek: Objecten binnen assemblages kunnen doordrenkt zijn met metaforische betekenis, die abstracte ideeën of persoonlijke ervaringen vertegenwoordigen. Kunstenaars overwegen hoe de gekozen objecten aansluiten bij de algehele symboliek van het stuk.
* Persoonlijke expressie: Uiteindelijk zijn assemblages zeer persoonlijke uitingen. Kunstenaars putten uit hun eigen ervaringen, herinneringen en observaties om unieke en betekenisvolle werken te creëren.
5. Constructietechnieken:
* Bevestigingsmethoden: Kunstenaars gebruiken verschillende technieken zoals lijm, schroeven, spijkers, draad of zelfs lassen om objecten aan hun basis te bevestigen. Deze keuzes hebben invloed op de stabiliteit, het visuele effect en de levensduur van de assemblage.
* Oppervlaktebehandeling: Kunstenaars kunnen het oppervlak van objecten schilderen, beitsen of aanpassen om hun visuele en conceptuele impact verder te vergroten.
* Integratie en transformatie: Bij assemblages worden vaak gevonden voorwerpen getransformeerd. Kunstenaars kunnen materialen knippen, opnieuw vormgeven of wijzigen om het gewenste effect te bereiken.
Door deze keuzes zorgvuldig af te wegen, creëren kunstenaars assemblages die niet simpelweg verzamelingen objecten zijn, maar eerder dynamische, gelaagde en betekenisvolle kunstwerken.