Loyaliteit en plicht:
* Loyaliteit aan de Koning: Rolands onwankelbare loyaliteit aan Karel de Grote, zelfs ondanks nederlaag en dood, staat centraal in het gedicht. Hij belichaamt de ideale ridder en geeft prioriteit aan zijn plicht boven alles.
* Loyaliteit aan metgezellen: De band tussen Roland en zijn metgezellen, zoals Oliver en aartsbisschop Turpin, benadrukt het belang van kameraadschap en elkaar steunen.
Moed en moed:
* Tegenslagen onder ogen zien: Het gedicht viert moed ondanks overweldigende overmacht. Roland en zijn mannen vechten dapper tegen de Saracenen, ook al weten ze dat ze in de minderheid en overtroffen zijn.
* Opoffering voor eer: Rolands beslissing om vechtend te sterven in plaats van op de hoorn te blazen om hulp, is een voorbeeld van het ultieme offer voor iemands eer en de zaak.
Trots en hoogmoed:
* Overmoed: Rolands trots en weigering om op de hoorn te blazen leidden tot zijn ondergang. Zijn geloof in zijn eigen kracht maakt hem blind voor het gevaar van zijn situatie, wat de gevaren van overmoed blootlegt.
* Trots in de strijd: Het gedicht toont ook de trots en het egoïsme van Ganelon, die Karel de Grote verraadt vanwege zijn eigen wrok en verlangen naar wraak.
Gerechtigheid en wraak:
* Goddelijke gerechtigheid: Het gedicht suggereert een geloof in goddelijke gerechtigheid, aangezien het verraad van Ganelon uiteindelijk wordt bestraft, zij het op een vertraagde manier.
* Cyclus van geweld: Het gedicht laat zien hoe wraak kan leiden tot een cyclus van geweld. Het verraad van Ganelon veroorzaakt een kettingreactie van geweld en dood, wat de gevaren van wraak benadrukt.
Uiteindelijk onderzoekt The Song of Roland de complexiteit van de menselijke natuur, het gewicht van loyaliteit en plicht, de gevolgen van trots en verraad, en de blijvende kracht van moed en opoffering in tijden van tegenspoed. De thema's van het gedicht blijven zelfs vandaag de dag relevant en bieden inzicht in de tijdloze vragen over eer, moraliteit en de menselijke conditie.