* Zelfstandig naamwoord: Dit is het meest voorkomende gebruik. Het verwijst naar het evenement zelf:"De thuiskomstwedstrijd was een groot succes."
* Bijvoeglijk naamwoord: Het kan iets beschrijven dat verband houdt met de gebeurtenis:"We droegen onze thuiskomstkleuren."
* Werkwoord: Hoewel het minder gebruikelijk is, kan het betekenen dat je naar huis moet terugkeren:'De soldaten zijn eindelijk thuisgekomen na jaren van vechten.'
Om de juiste woordsoort te bepalen, moet je kijken naar de context waarin deze wordt gebruikt.