Hogere klasse:
* Materialen: Rijke stoffen als fluweel, zijde, satijn en brokaat waren voorbehouden aan de rijken. Ze versierden zichzelf met luxueuze materialen geïmporteerd uit verre landen.
* Kleuren: Levendige tinten zoals karmozijnrood, goud en paars waren populair, wat hun hoge sociale status aanduidde.
* Versieringen: Uitgebreid borduurwerk, kant, juwelen en edele metalen werden rijkelijk gebruikt om kledingstukken te versieren. Hoe uitgebreider de versiering, hoe meer rijkdom en status de drager tentoonspreidde.
* Silhouetten: Mannen droegen uitgebreide doubletten, gesneden kousen (nauwsluitende broeken met decoratieve strepen) en brede kragen met ruches. Vrouwen droegen jurken met een nauwsluitend lijfje en een volle, vloeiende rok, vaak met een farthingale (een hoepelachtige structuur) om een breed, dramatisch silhouet te creëren.
* Accessoires: Opzichtige sieraden zoals parelkettingen, gouden kettingen en ringen met juwelen waren alledaags. Hoeden, handschoenen en waaiers dienden ook als statussymbolen.
Lagere klasse:
* Materialen: Wol, linnen en hennep waren de belangrijkste stoffen die door de arbeidersklasse werden gebruikt. Deze materialen waren goedkoper en praktischer voor dagelijks gebruik.
* Kleuren: Eenvoudige, gedempte kleuren zoals bruin, grijs en zwart domineerden.
* Versieringen: Er werden weinig versieringen gebruikt, behalve basisstiksels en misschien een simpele knoop.
* Silhouetten: Herenkleding was eenvoudiger en bestond uit een wambuis, een rijbroek en een eenvoudig overhemd. Vrouwen droegen een eenvoudige, lange jurk met een los lijfje.
* Accessoires: Sieraden waren minimaal, vaak gemaakt van basismaterialen zoals tin of hout.
Voorbij de basis:
* Kostuumbeperkingen: In het Elizabethaanse tijdperk waren er strikte weeldewetten (wetten die kleding reguleerden) die bepaalde materialen en stijlen verboden op basis van sociale rang. Dit zorgde ervoor dat kleding een duidelijke indicator van status was.
* Regionale variaties: Terwijl de hogere klasse de nieuwste trends uit Londen volgde, bestonden er regionale verschillen in kleding. De noordelijke delen van Engeland hadden bijvoorbeeld koudere klimaten, wat leidde tot verschillende soorten bovenkleding.
* Beroep: Bepaalde beroepen, zoals boeren of ambachtslieden, hadden hun eigen specifieke kledij die hun werk weerspiegelde.
Voorbeelden:
* Een rijke edelman zou een luxe fluwelen wambuis met ingewikkeld goudborduurwerk dragen, terwijl een boer een eenvoudig wollen wambuis en een rijbroek zou dragen.
* Een hofdame zou zichzelf versieren in een zijden japon met een farthingale, terwijl een vrouw uit de arbeidersklasse een linnen jurk zou dragen met een eenvoudige geplooide rok.
Het Elizabethaanse tijdperk zag een dramatische weergave van rijkdom en status door middel van kleding. De verschillen tussen mode uit de hogere en lagere klasse waren groot en sterk gereguleerd, waardoor kleding een krachtig symbool was van de sociale orde in die tijd.