1. "Twee huishoudens, beide gelijk in waardigheid" (Proloog)
2. "Maar zacht! Welk licht breekt daar door het raam?" (Act II, Scène ii)
3. "O Romeo, Romeo, waarom ben jij Romeo?" (Act II, Scène ii)
4. "Afscheid is zo'n zoet verdriet" (Act II, Scene ii)
5. "Wanneer hij zal sterven, / neem hem en snijd hem uit in kleine sterren" (Act III, Scène ii)