1. Nadruk op recht en rechtvaardigheid: Luthers opleiding als advocaat bracht hem een sterk gevoel voor recht en rechtvaardigheid bij. Hij zag de wet als een raamwerk voor orde en gerechtigheid, en hij paste dit principe toe op zijn begrip van religie.
2. Interne strijd tegen zonde: Luthers studie van de wet, in het bijzonder de Mozaïsche wet, maakte hem scherp bewust van zijn eigen zondigheid en zijn onvermogen om verlossing te bereiken door goede werken. Deze ervaring van ‘legalisme’ voedde zijn diepe existentiële crisis.
3. Zoektocht naar rechtvaardiging: De wet werd voor Luther een instrument om het probleem van de zonde en de noodzaak van verlossing te begrijpen. Hij erkende dat menselijke daden, hoe rechtvaardig ook, nooit Gods gunst konden verdienen. Dit bracht hem ertoe op zoek te gaan naar een ander pad naar verlossing, een pad dat de menselijke inspanning te boven ging.
4. Ontdekking van genade: Luthers ontdekking van het “Evangelie der Genade” door zijn studie van de Bijbel, in het bijzonder de brieven van Paulus, was een keerpunt. Hij besefte dat de verlossing niet verdiend werd door goede werken, maar een geschenk van God was, vrijelijk gegeven door genade door het geloof in Jezus Christus.
5. Afwijzing van aflaten: Luthers begrip van genade was regelrecht in tegenspraak met de praktijk van de katholieke kerk om aflaten te verkopen, die vergeving van zonden beloofden in ruil voor geld. Hij zag aflaten als een perversie van Gods genade en een flagrante uitbuiting van het verlangen van mensen naar verlossing.
6. Focus op de Schrift: Luthers juridische opleiding bracht hem een sterk gevoel van objectiviteit en logica bij. Hij paste deze principes toe op zijn studie van de Bijbel, in de overtuiging dat deze de enige bron van goddelijk gezag was. Hij verwierp het vertrouwen van de Kerk in traditie en menselijke interpretaties en pleitte voor een directe betrokkenheid bij de Schrift.
7. Nadruk op het priesterschap van alle gelovigen: Luthers begrip van genade daagde de hiërarchische structuur van de katholieke kerk en de exclusieve macht van priesters uit. Hij geloofde dat iedere christen een ‘priester’ voor God was, die door geloof directe toegang tot het goddelijke kon krijgen.
Samenvattend heeft Luthers juridische opleiding hem een sterk rechtvaardigheidsgevoel bijgebracht, een diep begrip van zonde en verlossing, en een kritische benadering van religieuze praktijken. Deze ervaringen, gekoppeld aan zijn ontdekking van het Evangelie der Genade, brachten hem ertoe het gezag van de katholieke Kerk in twijfel te trekken en te pleiten voor een meer persoonlijke en schriftuurlijke benadering van het geloof.