1. Filmstudio/distributeur:
* Ze hebben vaak licentieovereenkomsten met omroepen die aangeven wanneer een film vertoond mag worden. Dit is meestal gekoppeld aan de MPAA-beoordeling van de film (bijv. G, PG, PG-13, R, NC-17).
*Sommige studio's hebben mogelijk strikte regels over wanneer hun films kunnen worden vertoond, vooral voor nieuw uitgebrachte films.
2. Uitzendnetwerk/kabelkanaal:
* Ze hebben hun eigen interne programmeerbeleid op basis van de demografische doelgroep en gewenste inhoud.
* Ze kunnen ervoor kiezen om een film op een bepaald tijdstip uit te zenden om het aantal kijkers te maximaliseren of om in een specifiek thema of programmablok te passen.
* Ze moeten ook rekening houden met het beoordelingssysteem en mogelijke klachten van kijkers.
3. FCC (Federale Communicatiecommissie):
* De FCC heeft enig toezicht op de uitgezonden inhoud, maar dicteert niet rechtstreeks hoe laat films kunnen worden vertoond.
* Ze hebben onfatsoenlijkheidsregels die van toepassing zijn op televisie-uitzendingen, maar deze zijn vooral gericht op de inhoud zelf en niet op specifieke tijden.
4. Lokale regelgeving:
* Sommige lokale gemeenschappen Er kunnen verordeningen zijn die de vertoning van bepaalde films tijdens bepaalde uren beperken.
* Deze komen minder vaak voor, maar komen in bepaalde gebieden wel voor.
5. Ouderlijk toezicht:
* Kijkers zelf kunnen ouderlijk toezicht gebruiken om inhoud te blokkeren die zij ongepast achten voor bepaalde leeftijden.
* Dit is een belangrijk hulpmiddel voor ouders die controle willen hebben over wat hun kinderen op tv kijken.
In essentie is het een combinatie van industriële praktijken, netwerkbeleid en maatschappelijke normen die bepalen wanneer films op tv kunnen worden vertoond. Er is geen eenduidig, definitief antwoord en de specifieke factoren die een rol spelen, kunnen van geval tot geval variëren.