1. Ik heb zo'n honger dat ik een paard zou kunnen opeten.
2. Mijn rugzak weegt een ton.
3. Ik heb je al een miljoen keer gezegd dat je je kamer moet opruimen!
4. Die film was zo saai dat ik er in slaap van viel.
5. Ik heb een eeuwigheid op dit moment gewacht.
6. De rij was anderhalve kilometer lang.
7. Die grap was zo grappig dat ik bijna stierf van het lachen.
8. Ik ben zo moe dat ik een week kan slapen.
9. Die taart is zo lekker dat hij een prijs kan winnen.
10. Ik heb vandaag een miljoen dingen te doen.