* Ongelijke verdeling van de ruimte: De stiefmoeder en haar biologische kinderen bewonen de ruime, comfortabele slaapkamers op de bovenste verdiepingen, terwijl de stiefkinderen worden verbannen naar krappe, donkere kamers in de kelder. Deze flagrante ongelijkheid in leefruimte benadrukt de vriendjespolitiek van de stiefmoeder en het gebrek aan respect voor het comfort en het welzijn van haar stiefkinderen.
* Onrecht en verwaarlozing: De kelderkamers worden omschreven als ‘vochtig en somber’, met weinig licht en slechte ventilatie. Dit duidt op een doelbewuste poging om het leven van de stiefkinderen ongemakkelijk en onaangenaam te maken. De stiefmoeder lijkt onverschillig tegenover hun behoeften en probeert zelfs actief hun toegang tot basiscomfort te beperken.
* Symboliek van de kelder: De kelder zelf symboliseert een plaats van opsluiting en uitsluiting. Het is een letterlijke en metaforische weergave van hoe de stiefkinderen worden gemarginaliseerd en behandeld als buitenstaanders in hun eigen huis. Ze mogen niet op gelijke voet deelnemen aan het gezinsleven en worden feitelijk opgesloten in een verborgen, vergeten ruimte.
Deze details schetsen effectief een beeld van een stiefmoeder die koud en onverschillig is en actief probeert haar stiefkinderen te isoleren en mishandelen. De ongelijkheid in levensomstandigheden is een sterke herinnering aan de machtsdynamiek die een rol speelt en de oneerlijke behandeling waarmee de hoofdpersoon, ‘Assepoester’, wordt geconfronteerd in deze Chinese bewerking van het klassieke verhaal.