Het gedicht begint met de verteller, een rouwende man, die op een sombere decemberavond alleen in zijn kamer zit. Hij is verzonken in gedachten aan zijn verloren liefde, Lenore. Dit zet de sombere en introspectieve toon.
De komst van de raaf, ‘een sabelvogel van weleer’, verstoort deze rustige contemplatie op dramatische wijze. De aanwezigheid van de raaf en zijn onheilspellende uitspraken verhogen onmiddellijk de inzet en zetten het centrale conflict van het gedicht in beweging.
Concreet is de komst van de raaf het opruiende incident om de volgende redenen:
* Het verstoort de status quo: De verteller was al diep verontrust, maar de komst van de raaf introduceert een nieuw en onverwacht element in zijn leven.
* Het roept vragen en zorgen op: De onheilspellende aanwezigheid en cryptische uitspraken van de raaf zorgen er onmiddellijk voor dat de verteller twijfelt aan zijn gezond verstand en de mogelijkheid om troost te vinden in het hiernamaals.
* Het stuwt het verhaal vooruit: De aanwezigheid van de raaf wordt de katalysator voor de escalerende paranoia van de verteller en de obsessieve ondervraging van de vogel. Deze interactie voedt de dramatische spanning van het gedicht en drijft het verhaal naar zijn tragische conclusie.
Daarom is de komst van de raaf het cruciale keerpunt dat het centrale conflict in het gedicht in beweging zet en het verloop ervan bepaalt.