* "Goddelijk mandaat": Babylonische koningen beweerden dat hun macht door de goden was verleend. Dit was een algemene rechtvaardiging voor heerschappij in de antieke wereld.
* "Wapenkracht": Het Babylonische leger stond bekend om zijn macht en was cruciaal bij het uitbreiden van het grondgebied van het koninkrijk en het behouden van de controle.
* "Wijsheid van de goden": Babylonische koningen werden gezien als tussenpersonen tussen de goden en het volk, en zij vertrouwden op waarzeggerij en religieuze rituelen om hun beslissingen te leiden.
* "Controle over bronnen": Het vruchtbare land van Mesopotamië maakte een sterke economie mogelijk, die de middelen opleverde die nodig waren voor een krachtig leger en een bloeiende samenleving.
* "Legitimiteit van traditie": Babylonische koningen bouwden voort op de tradities en prestaties van hun voorgangers, wat hielp hun positie te verstevigen en legitimiteit te claimen.
Uiteindelijk was de machtsbron voor Babylonische koningen een combinatie van deze factoren, waarbij het relatieve belang van elke factor in de loop van de tijd verschoof.