1. Karakterisering:
* Ronde tekens: Bilbo Baggins ondergaat een aanzienlijke karakterontwikkeling en transformeert van een timide hobbit in een dappere en vindingrijke avonturier. Gandalf, Thorin Oakenshield en Gollum vertonen ook diepte en complexiteit.
* Platte tekens: Sommige personages, zoals de trollen en goblins, dienen als obstakels en antagonisten en missen uitgebreide ontwikkeling.
2. Beeldspraak en symboliek:
* Beschrijvend taalgebruik: Tolkien gebruikt levendige beschrijvingen om een rijke en meeslepende wereld te creëren, zoals het ‘maanlicht op de rivier’ of de ‘donkere diepten van het bos’.
* Symboliek: De Ene Ring, de kaart en het raadselspel hebben allemaal een symbolische betekenis. De ring vertegenwoordigt verleiding en macht, de kaart vertegenwoordigt hoop en leiding, en de raadsels vertegenwoordigen humor en wijsheid.
3. Perceelstructuur:
* Klassieke heldenreis: Bilbo's reis volgt het archetype van de klassieke heldenreis, inclusief de oproep tot avontuur, beproevingen en een terugkeer met een transformerende ervaring.
* Oplopende actie en climax: Het verhaal bouwt op naar een climax met de strijd om vijf legers, waar alle conflicten hun hoogtepunt bereiken.
* Deus Ex Machina: Gandalfs tijdige aankomst op belangrijke momenten, zoals tijdens de strijd, zou kunnen worden beschouwd als deus ex machina.
4. Thema:
* Moed en veerkracht: Bilbo's reis benadrukt het belang van het onder ogen zien van angsten en het overwinnen van uitdagingen.
* Huis en bezittingen: Het verhaal onderzoekt de thema's thuis, erbij horen en de zoektocht naar iemands plek in de wereld.
* Hebzucht en egoïsme: Het conflict tussen de dwergen en Smaug onderzoekt de gevaren van hebzucht en het belang van onzelfzuchtigheid.
5. Verhaaltechnieken:
* Vertelling in de eerste persoon: Het verhaal wordt verteld vanuit Bilbo's perspectief en biedt een persoonlijk en intiem perspectief.
* Voorafschaduwing: Tolkien verwijst op subtiele wijze naar toekomstige gebeurtenissen, zoals de verschijning van Gollum of de onheilspellende beschrijvingen van Smaugs hol.
* Flashback: Het verhaal maakt af en toe gebruik van flashbacks om gebeurtenissen uit het verleden te onthullen en context te bieden.
6. Andere apparaten:
* Alliteratie: Tolkien gebruikt vaak alliteraties om de nadruk te leggen en de herinnering te onthouden, zoals 'Bilbo Baggins' of 'Thorins schat'.
* Personificatie: Hij geeft mensachtige eigenschappen aan levenloze objecten, zoals het 'sprekende zwaard' of de 'zingende rivier'.
* Metafoor: Hij gebruikt metaforen om levendige beelden te creëren, zoals 'het bos was een donkere zee' of 'de draak was een berg van vuur'.
Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de literaire middelen die in The Hobbit worden gebruikt. Tolkien weeft ze op meesterlijke wijze samen om een boeiend en duurzaam verhaal te creëren.