Terwijl hij las, leek de wereld te kantelen. Het nieuws kwam langzaam, als een golf die tegen de kust beukt, waarbij elk woord de grond onder hem erodeert. Zijn vader, de man die altijd een rots was geweest, een bron van kracht, was er niet meer.
In de brief werd gesproken over een plotselinge ziekte, een snelle achteruitgang, een vredig heengaan. Maar de woorden waren hol. Ze konden de leegte die nu in zijn borst gaapte niet opvullen. Hij had dit verwacht, wist dat het eraan zat te komen, maar het gewicht ervan, de finaliteit, was verpletterend.
Victor viel op zijn knieën, de brief verfrommelde in zijn hand. Hij kon de stem van zijn vader bijna horen, nors en liefdevol, fluisterend:'Het is oké, zoon. Het is oké.' Maar de woorden waren slechts een spookachtige echo in het stille appartement, en Victor bleef alleen achter met de trieste waarheid:zijn vader was weg en hij zou hem nooit meer zien.